Feeds:
Posts
Comments

Archive for December, 2010

Carpe Diem

Dit keer kwam ik niet toe aan de roddelbladen. Ik zag bij de kapper een vaag bekend gezicht. Een mevrouw die ik twee maanden geleden ontmoette op de verwenavond. Zij is al elf jaar ziek en kent de prognose niet. Ze heeft veel meegemaakt, en toch straalde ze zoveel blijmoedigheid uit dat ik erdoor geraakt werd. Een bijzondere ontmoeting.
Ik denk terug aan mijn eigen ziekteperiodes. Ook ik voelde dat vertrouwen en kracht. Jammer dat er eerst iets ingrijpends moet gebeuren om die kracht en energie te ervaren. Dus toch een goed voornemen: Carpe Diem! Vertrouwen hebben en blijmoedig zijn.

Fijne Jaarwisseling!

Read Full Post »

Die goeie ouwe tijd

een willekeurige schoolklas uit 1924

Ze hadden elkaar vijf maanden niet gezien. Hij is 93 en zij 94 jaar. Het gesprek ging al gauw over vroeger. De geboorteplaats blijft trekken en mensen van vroeger blijven het bespreken waard. Zoals die oude huisarts die steevast antwoordde als men hem vroeg of het niet koud was met een kaal hoofd: ‘Beter een kale kop dan een koude kont.’ Vroeger was leuk. Ze zijn oud geworden en hebben een heel stuk geschiedenis meegemaakt. Maar komen tot de conclusie dat oud zijn toch minder leuk is en niet meevalt. Bij het afscheid nemen waren ze lief voor elkaar. ‘Pas je goed op? Doe je voorzichtig? Ik kom gauw weer hoor!’  Ik neem me voor om er niet opnieuw vijf maanden overheen te laten gaan.
Ondertussen bedenk ik dat deze dag, deze jaren ook geschiedenis worden. Dat ik later ook terugdenk aan die goeie ouwe tijd. Waarom dan wachten tot later om er goed op terug te kijken? Beter om er nu alvast van te genieten!

Ook deze tijd zal eenmaal de goede oude tijd worden. (Godfried Bomans)

Read Full Post »

Valentijnsdag

Met de meiden genoten van de film Valentine’s Day. Moet kunnen in de Kerstweek in december.
Liefde. Ben je op zoek naar liefde, dan heb je dus het gevoel dat dit ontbreekt in je leven. Als je je focust op wat je niet hebt, wordt die leegte niet gevuld. Dus moeten we ons niet concentreren op wat we missen. Maar onze gedachten door liefdevolle gedachten vervangen.
Deel liefde uit en je leven wordt door liefde overspoeld!

Read Full Post »

Gedachten observeren

Vanochtend begon ik mijn dag met een kwartier mediteren. Stilzitten en in mezelf keren en kijken wat er komt. Mijn aandacht is gericht op mijn ademhaling. Ik voel hoe mijn buik uitzet en weer krimpt. Lang houd ik dit niet vol, want de gedachten beginnen door mijn hoofd te spoken. Ik luister naar ze en laat ze gaan. Ik keer weer terug naar mijn ademhaling. Er komen echter al gauw meer gedachten. Ik laat ze allemaal komen en gaan. Na een kwartier werd de onrust groter. Mijn geest is overactief. Dit kwartier heb ik oa. met T geskied, heb ik mijn droombaan gevonden, heb ik het huis opgeruimd voor een taxateur die straks komt, heb ik door het bos gelopen, gedoucht, lange gesprekken gehouden en nog veel meer… Het is duidelijk. Ik heb het mediteren verwaarloosd. Ik zet het weer op de agenda: elke dag minstens een kwartier.

Read Full Post »

Als de zee zichzelf aanvaardt met al haar golven…

Deze dagen worstel ik met mezelf. Wil het liefst van mezelf weglopen en ben op zoek naar een betere ik.
Gisteren las ik een verhaaltje op internet, dat mij laat zien dat wat ik mijzelf ontbreekt ik ook in mijzelf terugvind. Niet ergens anders of bij iemand anders.

Jouw unieke geschenk (M. Sanders)

Voordat Hij kinderen naar de aarde zond,
gaf Hij elk van hen een zeer zorgvuldig uitgezocht pakketje met problemen mee.
Deze problemen, beloofde Hij glimlachend, zijn van jou alleen.
Niemand anders kan de zegeningen ondervinden die deze problemen je zullen brengen. En alleen jij hebt de speciale talenten en mogelijkheden, die nodig zullen zijn om deze problemen tot je dienaren te maken.
Daal nu af naar je geboorte. Weet dat Ik je bovenmatig liefheb.    Je vader.
Het leven is een geschenk en dat ben jij ook helemaal!

Read Full Post »

Een Noors sprookje, vrij vertaald door L. van der Jagt

Hoe de sneeuw haar kleur kreeg

Het gebeurde heel lang geleden, toen alles op aarde een naam en een kleur had gekregen, dat het begon te sneeuwen. Maar de sneeuw dwarrelde grauw en bijna niet zichtbaar neer. De sneeuw was bedroefd dat zij geen kleur gekregen had, want net toen zij aan de beurt was, waren alle kleuren op.
De sneeuw dacht: ik ga iemand vragen mij wat kleur te geven. Zij zweefde met de wind mee tot ze een rode roos zag.  ‘Roos, wil jij wat kleur met mij delen?’ , vroeg de sneeuw. Maar dat was de trotse roos helemaal niet van plan. Haar rood aan zoiets kouds geven? Nooit van haar leven.
De sneeuw ging verder tot ze aan een slootkant gele dotters zag. ‘Dag dotters, wat zijn jullie prachtig geel. Zou ik er iets van mogen lenen?’
‘ Nee hoor’ , zeiden de dotters. ‘We hebben net genoeg voor onszelf.’  En draaiden hun hoofden af.
De wind nam de droevige sneeuw verder mee tot ze bij een bos kwamen waar blauwe bloempjes op de bodem groeiden. ‘Dag blauwe bloempjes, ik ben de sneeuw en heb geen kleur. Zou ik iets van jullie kleur mogen hebben?’, vroeg de sneeuw vriendelijk.
Maar de bloempjes vonden die koude sneeuw maar niets en bogen neer naar de grond en zwegen.
De wind bleef de sneeuw vergezellen langs allerlei bloemen, bomen, grassen, stenen, dieren en mensen en niemand wilde iets van zijn kleur afstaan aan de grauwe sneeuw.
Het allerlaatst kwam de sneeuw bij een klein wit bloempje dat haar nog niet was opgevallen. Bijna wanhopig vroeg ze: ‘Dag mooi wit bloempje. Jij bent de laatste aan wie ik het kan vragen: wil jij mij iets van je kleur geven? Ik wil niet meer kleurloos zijn.’
Het bloempje keek verrast op en zei: ‘Als je mijn kleur mooi vindt, wil ik je best wat geven.’  En het schraapte wat wit van haar kelkje af en gaf dat aan de sneeuw.
Vanaf dat moment was de sneeuw wit en uit dankbaarheid zei ze tegen het bloempje: ‘Ik zorg ervoor dat jij ieder jaar als eerste bloeit en ik zal je beschermen als een deken tegen de kou.’
Dat witte bloempje kreeg een nieuwe naam en heette vanaf toen ‘ sneeuwklokje.’   En als je goed kijkt zie je het groene plekje zitten waar het wit voor de sneeuw is weggegeven.

Read Full Post »

De engel

De engel

  

 

 DE ENGEL
door Godfried Bomans
 
Boven, in het topje van de kerstboom, stond een engel. Hoe zij daar gekomen was, dat kon zij zich met de beste wil niet meer herinneren. Zij had nog een vage heugenis aan een nauwe, donkere ruimte, waaruit zij opeens door een kleine hand in, een zee van licht getild was. Het was een glorieuze geboorte geweest en sinds dat ogenblik was zij altijd gelukkig geweest. Dit alles had eigenlijk nog maar één avond geduurd, maar voor een Kerstengel is dat een eeuwigheid, dat begrijp je wel.

Arme, kleine Kerstengel! Zij wist niet dat het Kerstfeest slechts een enkele avond duurt en dat die al bijna voorbij was. Zij stond, met een blikken knipje aan de boom bevestigd, zachtjes heen en weer te wiegen en keek door haar gazen vleugels naar de lichtjes der kaarsen, die beneden haar brandden.

En opeens, daar doofde een kaars uit. Meerdere volgden.

Het werd steeds donkerder om haar heen en ten laatste zag zij niets dan de zwarte nacht. De engel nieste, want de walm der gedoofde kaarsen prikkelde in haar neus. In het begin dacht zij dat het een grapje was, maar toen het donker bleef, kwam zij tot nadenken. “Ik had beter moeten opletten, toen het nog licht was,” dacht zij spijtig, “ik heb helemaal niet gekeken. ik herinner mij eigenlijk niets. Absoluut niets. Werd het maar weer licht.”

En het werd licht. Maar hoe geheel anders was dit licht. Grauw, groezelig en met tegenzin viel het door een groot, vierkant raam, en eer het ten volle ontloken was, kwam er een dienstbode in de kamer; pakte de Kerstboom en smeet hem op zolder.

Bom. Daar lag de engel en keek recht in een naad van de planken vloer. Het was er verschrikkelijk koud, en buitengewoon ongezellig. In het begin dacht de engel weer: “Kom, kom het is maar een grapje,” maar toen zij daar drie volle dagen en nachten in de naad van de houten vloer gekeken had, begon zij. zich ernstig ongerust te maken.

En hoe langer zij over het licht van het vierkante raam nadacht, hoe duidelijker begreep zij dat dit het mooiste was dat zij ooit gezien had. “Ik zal proberen het je uit te leggen,” sprak zij op een maartse dag tegen een muis, die juist voorbijkwam, “door een glazen gat in de hemel viel een verblindend licht bovenop mijn hoofd. Dat is het mooiste wat ik ooit heb meegemaakt. Ik kan je niet zeggen, hoe gelukkig ik eigenlijk was. Maar ik was in die tijd erg onnozel: ik besefte het niet. Nu weet ik het. En nu is het te laat. Maar ik heb tenminste de herinnering.”

“Dat is altijd wat,” meende de muis, na er een hele tijd over te hebben nagedacht, “goedendag, ik moet verder.”

Op een dag kwam de meid op zolder en vond de Kerstengel in een schemerige hoek op de grond liggen. En zij nam haar op en smeet haar in het kolenhok. Daar lag zij, tussen twee turven, recht tegenover een somber kijkend stuk antraciet. Een week lang zweeg de engel, want zij vond dit geen gezelschap om tegen te praten.

Doch eindelijk, op een dag in september, kon zij zich niet meer inhouden. “Jullie hebben er geen flauwe voorstelling van;” sprak zij, “hoe het licht op zolder is. Het doet bijna pijn aan de ogen, zó stralend is het. Jammer genoeg was ik toen te beperkt om mijn zaligheid ten volle, te begrijpen. Maar ik heb nu tenminste iets om aan te denken.”

“Dat is altijd wat,” meende het stuk antraciet, “maar ik vind de verlichting hier ook heel redelijk.”

De engel, zweeg. Tegen zulk een bekrompen opvatting was het vruchteloos te spreken.

Op zekere ochtend nu speelde het, jongetje, dat in het huis woonde, in het kolenhok. En toer hij de engel zag nam hij haar op en, wierp haar in de vuilnisbak. Het was er aardedonker. De engel vatte haar,nieuwe toestand aanvankelijk als een scherts op, doch toen het drie dagen lang donker bleef, zó pikdonker, dat niemand in de vuilnisbak een hand voor zijn ogen zag, kwam zij tot nadenken. Zij dacht en, zij dacht, en ten laatste kon zij het niet meer houden en riep: “Is hier soms iemand om naar mij te luisteren?”

“Jawel,” zei een stuk spiegelglas, “als het niet te flauw is.”

En de engel vertelde van het verblindende licht in het kolenhok en hoe verrukkelijk het daar geweest was. “Ik was te dom,” besloot zij met een zucht, “om het te begrijpen. Maar nu begrijp ik het. Ik zie het helemaal in.” Het stuk spiegelglas zweeg, want het had zoveel ijdelheid in zijn leven gezien, dat het wat eenkennig geworden was.

Op een donderdag, in de namiddag, toen het al wat schemerig was, kwam de vuilnisman voorbij. Hij sloeg het deksel op en zag de engel liggen. Nu is het altijd prettig een engel te ontmoeten, doch als men vuilnisman is, voelt men zich dubbel verblijd. En hij stak de engel in zijn zak en gaf haar ‘s avonds aan zijn vrouw. “Alsjeblieft,” zei hij, “voor de Kerstboom.” En de vrouw van de vuilnisman borg de engel in een kartonnen doos en zette de doos in de kast.

“Hallo,” zei de engel, na een tijdje stil te hebben gelegen, “is hier iemand?”

Maar er was niemand in de doos dan het houtwol waarin de engel lag; en houtwol, dat weet je, heeft een zwijgzame aard. En dat was maar heel goed, want, de engel had eigenlijk helemaal niets te vertellen. Want hoe zij ook dacht en peinsde over haar oude vuilnisbak, zij zag er niet meer licht in dan in de kartonnen doos waarin zij nu lag: het was in beide even donker. En toen, eindelijk, toen zij begreep dat het niet zwarter meer kon worden, liet zij het verleden varen en dacht aan de toekomst.

En een nieuw gevoel doorstroomde haar, zij gevoelde zich blij en vol verwachting. Alle spijt en alle wrok weken uit haar hart, en zij lag stil en met open ogen te wachten op de kleine hand, die haar omhoog zou heffen uit het duister naar het licht.

En de hand kwam en hief haar omhoog naar het topje van een kerstboom. De Kerstboom was veel kleiner dan die van het vorig jaar en er brandden ook minder lichtjes in. Maar dat zag de engel niet. Met een blikken knipje aan de top bevestigd, wiegde zij zacht heen en weer en keek door haar gazen vleugels naar de fonkelende versierselen van de boom. “Verrukkelijk,” dacht zij, “verrukkelijk. Maar laat ik dit keer goed opletten. Dadelijk is het voorbij. En dan wil ik alles gezien en alles geweten hebben.”

En zij sperde haar ogen wijd open en zij tuurde dwars door de takken naar beneden. En zij zag, de vuilnisman staan, in een nieuw pak gestoken, zijn vrouw,en hun beider kind, met een blauwe strik in het haar. En de ogen van het kind keken strak en regelrecht in een klein, open huisje, waarin ook een man, een vrouw en een kind te zien waren, maar véél en véél kleiner, en verder een os, en een ezel, zo groot als, de beestjes in een speelgoeddoos.

Opeens schrok de engel. Want daar, aan de nok van het huisje, was een engel bevestigd als zij, met dezelfde gazen vleugels en hetzelfde lint met de handen ophoudend als zij in haar eigen handen hield. En nu voor het eerst kon zij de woorden lezen, die erop stonden: “Glorie aan God en vrede op aarde aan de mensen van goede wil.”

En een gevoel, van diep geluk doorstroomde de eenzame engel boven in de boom, die zich zo lang verlaten en verongelijkt had gevoeld. “Ik heb een Boodschap in mijn handen,” dacht ze fier, “nu kan mij niets meer gebeuren. Welke ongelukken mij ook zullen overkomen, ik heb mijn schat bij mij en niemand kan mij die ontnemen.”

En er overkwamen haar vele ongelukken. Want in het vierde jaar brak zij af van de boom en kwam in een blokkendoos terecht, en van hier uit belandde zij in de lappenmand. En tenslotte woei zij in de tuin op een hoop dorre bladeren en lag daar stil op haar rug naar de jagende wolken te kijken. En zij voelde, hoe zij langzaam en pijnloos verteerde, dag na dag; maar zij hield het lint stevig vast en, er was geen bitterheid in haar. Want zij wist dat zij een wezen was; bestemd om dood te gaan, doch uitverkoren om de Goede Boodschap tot het einde te bewaren.

 

Read Full Post »

Older Posts »